Ambitieuze sloebers

Over de ambitieuze keuken van Italiaanse nieuwkomers in New York.
Een recensie van Simone Cinotto, The Italian American table (University of Illinois Press, 2013).

De geschiedenis van migranten in Amerika is een gevoelig onderwerp: morrelen aan de wortels van de ‘Irish American,’ de ‘Jewish American’ of de ‘Italian American’ wordt een buitenstaander niet in dank afgenomen. Simone Cinotto is een Italiaans historicus die schrijft over Amerikanen van Italiaanse afkomst. Dus hij is voorzichtig in zijn boek The Italian American Table. Want ‘authentiek Italiaans’ eten is de kern van het Italiaans Amerikaans zijn. En Cinotto beweert dat er weinig ‘authentiek’ is aan dat eten.

 

De Italiaanse migratie naar Amerika kwam op gang aan het eind van de negentiende eeuw. Italië bestond nog maar net, en van de Italiaanse keuken had nog niemand gehoord. De ambitieuze sloebers uit het arme Zuiden die de oversteek waagden, hielden zich vast aan hun streek, hun paese. En dat was een eng begrip. Er werd uiteraard niet getrouwd met zo’n slet uit een ander dorp. Ook al woonde die nu in dezelfde straat in dit vreemde land.

 

Cinotto analyseert het ontstaan van de Italiaans Amerikaanse keuken in het interbellum, in East Harlem, een deel van New York. Volgens hem zetten de migranten thuis eten op een voetstuk. Handelaren en winkeliers stimuleerden dat gretig. Zo werd eten en vooral samen eten de kern van de Italiaans Amerikaanse levensfilosofie. Migranten bouwden de keuken waar ze van droomden toen ze nog honger hadden: overvloedig. Het verlangen naar overvloed viel samen met een scherpe daling van de voedselprijzen in Amerika. Bovendien waren deze migranten bereid een groot deel van hun inkomen aan eten te besteden. De jaloerse herinnering aan wat rijke mensen in Italië aten en dronken diende als voorbeeld. Pasta. Wittebrood. Groenten in overdadig olijfolie gesmoord. Koffie, ook voor de kinderen. Tandglazuursmeltende zoetigheden. En vlees, heel veel vlees. Aan tafel, in de winkel en in de reclame werden hun gerechten voorzien van het stempel ‘authentiek Italiaans’ – alsof ze geen schepping van de migranten zelf waren, maar zonder enige aanpassing uit het inmiddels sprookjesachtige vaderland geïmporteerd.

 

Gedeelde eetgewoonten voeden de saamhorigheid, terwijl ze gunstig afsteken tegen de verderfelijke eetgewoonten van anderen. Cinotto beschrijft met onverholen plezier wat migranten en de Amerikaanse overheid van elkaars eetgewoonten vonden. Italiaans eten stond eerst te boek als verderfelijk, de bron van de vermeende achterlijkheid van de ‘donkere’ Italiaanse migranten. Italiaanse kindertjes in New York werden op school aangespoord om havermout te eten en vooral veel melk te drinken – tot afgrijzen van hun ouders. Maar de Italianen werkten zich omhoog richting middenklasse, en nog ‘donkerder’ migranten stroomden Harlem in. Nu leken de Italianen ‘blanker.’ Opeens vond de overheid de Italiaans Amerikaanse maaltijden ‘evenwichtig.’ De Italiaanse Harlemmers op hun beurt zagen hun Porto Ricaanse buren niet voor vol aan, omdat ze te veel bonen aten. Een Porto Ricaans jongetje was trots dat de geur van zijn moeders eten de kooklucht van de Italiaanse buurvrouw verdrong. Territorium werd gemarkeerd met etenslucht.

Langzaam werd de Italiaanse migrantengemeenschap een geheel. Zodra ze het konden betalen, trokken ze naar de buitenwijken. Het begrip paesano werd opgerekt: het betekende niet meer iemand uit het dorp van oorsprong, maar een mede-Italiaan in Amerika. Niet alle scheidingen losten op: dat de Sicilianen pasta met pompoen aten werd door iedereen absurd gevonden. Dit soort heerlijke weetjes plukte Cinotto zorgvuldig uit een archief van interviews met migranten.

 

Cinotto’s enige manco is zijn nodeloze abstractie. Een voorbeeld. Italiaans Amerikaanse ouders hamerden aan tafel de leefregels erin: ons eten is het beste, wij eten samen. Meisjes mogen niet vrijen. Jongens moeten met een Italiaanse trouwen, ook al is ze spuuglelijk: ‘ons soort eten’ kunnen koken is veel belangrijker dan een mooi stel bazooms. Toch móet Cinotto de maaltijd abstraheren tot “symbool.” Hij spreekt zijn eigen bewijsmateriaal tegen, als hij beweert dat de leefregels “niet onderwezen werden aan tafel” maar “gewoonweg geabsorbeerd.” Wat is er nog symbolisch, als alles letterlijk verkondigd wordt?

 

Een term die Cinotto graag bezigt zonder verdere toelichting is ‘collectieve herinnering.’ Zo’n leeg begrip is een manier om iets wat moeilijk te bewijzen is, toch overtuigend te laten klinken. Overal zijn mensen dingen aan het overdoen, volgens Cinotto: ze nemen geen bezit van de ruimte maar ze hernemen haar; ze ontdekken hun wortels niet maar ze herontdekken ze. Op één pagina zijn Italiaanse Amerikanen aan het herverwerken, hervormen, verplaatsen, herontdekken, herscheppen, hergroeperen, en herdefiniëren. Dit soort taalgebruik is meer dan academische luiheid: die lege toevoegingen zwakken stellingen af. En dat is precies wat Cinotto wil: zijn mening afzwakken.

 

Italiaanse Amerikanen zijn apetrots op hun Italiaanse wortels. Maar het ‘authentieke’ eten dat de kern van die identiteit vormt, was iets nieuws: de schepping van ambitieuze sloebers. Eigenlijk vindt Cinotto dat Italiaanse Amerikanen dáár trots op zouden moeten zijn. Maar hij zwakt die mening af, voor een publiek dat zich in zijn Italiaanse roots aangetast zou kunnen voelen. Dat is jammer, want het is deze gedachte die zijn betoog boven het conventionele verheft: dat de migranten geen willoze slachtoffers waren van traditie, gangsters en reclame, maar precies aten waar ze zelf zin in hadden.

 

Een korte versie van dit artikel verscheen in NRC Handelsblad op 20 juni 2013.

beeld: Marjory Collins, ‘New York. Italian and Jewish customers in the First Avenue market at Tenth Street’, 1943
Farm Security Administration / Office of War Information photograph collection, Library of Congress, Washington