Ouwe meuk in een nieuw jasje

De berichtgeving over de Rotterdamse Markthal herhaalt steeds hetzelfde frame: gentrification verdringt de gewone man met zijn niet-hipsterige behoeften. Het echte verhaal is, zoals altijd, een stuk minder zwart-wit.

 

Het eerste aspect dat ik mis in de berichtgeving, is dat het huidige karakter van de Markthal onze eigen schuld is: we kregen de Markthal die we verdienden. Nederlandse ondernemers geven nog steeds meer om hun marketingverhaal (‘beleving’) dan om de meuk die ze proberen te slijten. Wij consumenten blijven ze daar maar voor belonen, door die meuk ook daadwerkelijk te kopen. En we tonen nog steeds bar weinig interesse in écht mooie spullen – met name die van eenvoudige komaf. This is why we can’t have anything nice.

 

Vóór de opening werd de Rotterdammers een markt van Spaanse allure beloofd, een oord van glimmende vissen, een plek waar je direct van de telers uit het omringende Westland kon kopen. Een plek waar de weelde van het platteland naar de hongerige klanten van de stad werd gebracht. Een plek voor lokale ondernemers. ‘Local heroes die samen het verschil maken,’ aldus Hans Schröder van Provast. Kwaliteit én betaalbaar én sociaal-maatschappelijk verantwoord. Wat wil je nog meer.

 

Maar toen bleken de huren astronomisch hoog. Tot zover de leuke lokale versbeleving, want alleen grote spelers konden die huren ophoesten. De Markthal werd een rare mix van nuffige délicateurs, snoeptomaatjes, overpriced kookgerei en horeca. En, natuurlijk, de geijkte Albert Heijn, Gall&Gall en Etos: geen Nederlands winkelconcept kan zonder. De verse groenten van de zogenaamd lokale teler waren verdacht verlept en prijzig. De slager voelde zich te goed voor een dikke, welopgevoede karbonade; Iberico varkensmedaillons te over daarentegen. Het brood was nep-ambachtelijk en de poelier had zijn hoofdvestiging op vijf minuten fietsen van de Markthal – met een veel uitgebreider aanbod.

 

De rest van het verhaal is bekend. De Rotterdammers lieten het afweten, en de dagjesmensen wilden alleen maar kijken-kijken-niet-kopen. Al na een paar weken zagen de vleesroulletterettes bij de culislager er niet zo fris meer uit. Andere ondernemers kwamen, en gingen weer. De nadruk kwam te liggen op snacks en souvenirs. Inmiddels zou een Blokker er niet misstaan.

Het tweede aspect dat niet lekker past in het gentrification-frame, is de rol van de markt buiten, op de Binnenrotte. Plekken hier zijn fel begeerd en duur betaald. Dat betekent dat deze ondernemers hun positie met hand en tand verdedigen. Een vaste plek en een prominente kraam betekent een machtige marktkoopman. Deze grote jongens hebben er baat bij dat er geen al te goedkope waar wordt aangeboden in de Markthal, dat zou concurrentie zijn. Maar ze houden ook niet van vreemde vogels op hun markt. Een viertal biologische kraampjes wil graag verhuizen naar de Binnenrotte: ze staan nu te verpieteren in een verloren stukje van het Rotterdamse centrum, naast kabouter Buttplug. In principe geen concurrentiegevaar, want ze trekken een ander publiek. Het effect zou eerder andersom zijn: een biologisch hoekje kan klanten naar de grote markt lokken die daar anders niet komen. Maar ze komen er niet tussen. Ze mogen hooguit meedoen aan de wekelijkse verloting van wisselplekken.

 

Behalve een territoriumgevecht speelt hier ook een klasseconflict. Tijdens de bouw van de Markthal kon je op veel plekken de vrees beluisteren dat de Markthal een complot was, dat ‘de gewone Rotterdammer’ en ‘zijn markt’ verdrongen zouden worden door verwende hipsters en kakkineuze ouderen. Dat is een zielig verhaal waar een bepaald slag journalisten en politici graag in trapt, maar het is vooral PR: de buitenmarkt is onverminderd gigantisch en onverminderd druk. De werkelijkheid is een stuk complexer en interessanter. Een aantal van de zogenaamd ‘gewone’ marktkoopmannen zijn stiekem nogal machtig. De Binnenrotte is hun domein. Het is niet ondenkbaar dat ze op enig moment de Markthal simpelweg aan hun domein toevoegen – een paar grote jongens van buiten hebben er al een dependance geplant. De toekomstvisioenen van marktkoopmannen en wethouders komen niet altijd overeen.

 

Elders in Rotterdam is een markt die wél doet wat de Markthal ooit beloofde: de Oogstmarkt. Op deze tweemaandelijkse markt in het Oude Noorden staan telers, boeren, kleine bedrijfjes en producenten. Sommige kramen zijn zo goedkoop (want geen tussenhandelaren) dat de minima er lucht van hebben gekregen. Er zijn altijd een paar avantgardisten uit de omringende volksbuurt die zich dapper tussen de yuppen en hipsters en bakfietsen begeven.

 

Dan nog moeten de organisatoren en marktlui er hard aan trekken om hun mooie waar aan de man te brengen. Het is misschien nog niet de gedroomde plek waar Rotterdammers uit alle hoeken en gaten elkaar vinden in een gedeelde liefde voor lekker. Maar het is in ieder geval een oprecht begin.

 

23 juli 2018

beeld: pagina uit folder ‘Marktkansen’, voor potentiële huurders Markthal