Schimmel

Dit verhaal schreef ik in de zomer van 2019. Het voelt opeens nogal… actueel.

In de chaos van de verhuizing raakte ze haar berichten kwijt. Allemaal gewist, in een moment van onbezonnenheid. Wie verwacht ook dat een mens daar weerstand tegen heeft, die vuilnisbelt van je eigen spullen, half in, half uit dozen, door het nieuwe huis verstrooid, op zoek naar een eigen plek. Pauze. Televisie. Een Japanse opruimdomina blies woorden als zeepbellen in een onder haar leiding geruimde ruimte. Dat was de druppel. Delete all?

Yes.

Spijt sloeg in als de bliksem. Gelukkig had ze haar lijst met contacten intact gelaten. Ze slingerde een lacherig berichtje diverse sociale kringen in. Dat ze net per ongeluk al haar berichten gewist had vijf uitroeptekens zweterige oeps-smiley. Je leven is een leugen, smaalde een stem in haar hoofd.

Toen de bel ging, was ze op zoek naar een programma om haar berichten mee terug te vinden. De app WonderCure zag er veelbelovend uit: 99 procent succesvol als je binnen 24 uur na het wissen van je gegevens de boel terughaalde. De bel ging nog een keer. Ze haastte zich twee trappen af en struikelde met een restje neerwaartse snelheid over de schoenen die in de gang op een slordige stapel lagen. Met het openen van de voordeur verschoof de stapel naar een andere hoek, waarbij modderige hardloopschoenen en nette werkhakken over elkaar heen rolden.

‘Is het zo zwaar allemaal?’

Een zwaarlijvige postbode met een oranje pet. Achter hem een oranje bestelbusje. Hij had een groot pakket vast, hopelijk de tien opvouwbare opbergkratten die ze besteld had. Ze dwong een glimlach op haar gezicht. ‘Nee hoor, komt goed.’

Ze hield haar armen uit om het pakket van hem over te nemen, maar het moment van overdracht was nog niet aangebroken.

‘Bejje net verhuisd?’ Zijn blik was lodderig, zijn wangen zacht maar brokkelig. Hüttenkäse.

‘Dat heeft u goed gezien,’ antwoordde ze. Weer hield ze haar armen uit; weer maakte hij geen aanstalten tot overhandiging.

‘Bejje vrij op maandag?’

‘Ik heb kantoor aan huis,’ zei ze, pinnig nu. Ze maakte weer aanstalten om het pakket over te nemen. Het was verrassend zwaar en de postbode liet iets te snel los, waardoor ze bijna achterover de gang in viel. Met een paar snelle pasjes hield ze haar evenwicht.

‘Nog even tekenen.’

Ze keek vertwijfeld om zich heen, de postbode op de drempel, de vloer van de gang bezaaid met schoenen. Het pakket was te breed voor een traptrede. Onder zijn toeziend oog schoof ze met een voet een plek vrij tussen de schoenen.

‘Ik moet nog veel uitpakken en opruimen,’ zei ze, verontschuldigend.

‘Zeg dat wel.’

Ze sloot de voordeur en wachtte tot ze het bestelbusje weg hoorde rijden.

WonderCure was zó geïnstalleerd op haar telefoon en begon energiek de gewiste berichten op te graven. Ze liet het rustig begaan terwijl ze het modem aan de praat kreeg, kastjes uitsopte, dozen uitpakte en een schoenenkastje bestelde voor de gang, ‘morgen bezorgd’. Aan het eind van de middag een blik op de vangst van WonderCure, die opmerkelijk groot was: het leek of het programma vrijwel alles had gevonden wat ze ooit van haar telefoon had gewist. Zondag tien uur bij Bolly? Ja gezellig koffiekop koffiekop. Geachte mevrouw, u heeft 13-9 om 14.15 een afspraak bij de tandarts en aansluitend de mondhygiëniste. Bent u verhinderd, dan moet u dat 24 uur van tevoren doorgeven. Net geland. Tien uur ga ik niet redden, wordt half elf. Welkom in Italië. Je beltegoed is hier geldig. Waarom bel je niet terug godverdomme ik wil gewoon even praten niets geks ok?!?!?!? Check deze homeboy dan, sinds wanneer dragen we gabberjasjes op Hammer pants? Hallo wereld, ik ben Wilhelmina Catherina Arabella Juul Bakker, noem me maar Mijntje. Ik ben geboren op 23 maart om 6.05 uur en woog toen 5576 gram. Mijn pappa en mamma zijn in de wolken hartje wolkje hartje wolkje hartje. Ben mijn pas vergeten, zou je even naar de receptie kunnen komen? AAE bezorgservice: uw pakket wordt vandaag bezorgd tussen 7.00 en 17.00. 

Terugzetten van berichten bleek een wat ingewikkelder proces dan terughalen: per item moest handmatig een vinkje gezet worden. Even gromde ze. Morgen.

*

Maar WonderCure was er de software niet naar om stil te blijven zitten. Die nacht bleef het programma vlijtig op zoek naar verloren bestanden. Via de draadloze verbinding met haar telefoon drong het de laptop binnen. Jaren van gewiste bestanden op haar harde schijf, laag op laag op laag. Een rijke voedingsbodem. De ventilator van de laptop begon hoorbaar harder te draaien.

De volgende ochtend pakte ze haar computer om aan het werk te gaan. Ze nestelde zich op de bank, om haar heen torenden de dozen. Na een uur was haar mailbox weer onder controle en ging ze koffie zetten in de spullenjungle die eufemistisch al ‘keuken’ heette. Toen ze terugkwam voelde het toetsenbord raar, stoffig. Haar handen zaten onder de zwarte vegen. Waar zou in godsnaam zwart stof vandaan kunnen komen? De bel ging. Dat moest het schoenenkastje zijn, vanavond aan de slag met de gang.

Dezelfde postbode, hijgerig ditmaal, zijn plastic jas helemaal opengeritst, de zweetdamp sloeg haar om de wangen. Ze deed een stapje achteruit.

‘Kejje een pakje aannemen voor de buren?’

De vanzelfsprekendheid irriteerde haar. Toch zei ze hartelijk: ‘natuurlijk, geef maar hoor.’ Ze tekende.

‘Hejje nog geen tijd gehad om op te ruimen.’

Ze keek naar de schoenen, die onverminderd in de weg lagen.

‘Druk met werk hè.’ Ze kneep haar ogen samen. ‘Ik moet weer door, daahaag.’ Ze sloot de deur nog vóór hij zich naar zijn busje had gekeerd.

Ze maakte haar laptop zorgvuldig schoon met een klein formaat bladblazer. Ze zette de backupschijf aan, tot groot genoegen van WonderCure, dat onmiddellijk aan de slag ging om ook daar naar ouwe troep te vissen. De laptopventilator hield het niet bij en gonsde in protest tegen zoveel activiteit. Hm, morgen een kijkje onder de motorkap nemen. Eerst deadlines halen. De bel ging, ze snelde naar beneden. Niet snel genoeg volgens de bezorger van een andere bezorgdienst, rode polo, zwarte snor, pakjes tot onder zijn kin, die commentaar had zowel op het tempo waarmee de deur open ging, als op de schoenenberg in de gang. ‘Waar moet ik nou die pákjes zetten,’ riep hij met een operettestem. Hij had het schoenenkastje bij zich, bleek, plus assorti pakjes voor assorti buren. Of hij die ook… Ja… natuurlijk. Hij dropte de pakjes op de stoep. ‘Wacht éven.’ Hij liep de straat in en drukte op wat bellen. Niemand deed open. ‘Ja pák ze maar,’ commandeerde hij over zijn schouder en klom zijn busje in. Nu lagen er vijf pakjes voor de buren op de trap. Met bonkende hoofdpijn zette ze het schoenenkastje in elkaar, zodat de gang begaanbaar was.

Ze sliep. Maar WonderCure had geen slaap nodig. Het programma drong via de wifi niet alleen het modem binnen maar alle slimme apparatuur van de luxe huurwoning: de gloednieuwe ijskast en inductiekookplaat, de combi-oven, de draadloze verwarmingsthermostaat. Gretig diepte het fabrieksinstellingen op.

Ze werd wakker in klamkoud donker, druppels op het raam. De verwarming stond op de stand ‘vorstbeveiligd’, het was twaalf graden in huis. In de keuken knipperden ledlampjes rood en groen en blauw, alles was gereset. Vast een stroomstoring. De ijskast was merkwaardig genoeg niet veel kouder dan het huis. Ze haalde haar telefoon uit het stopcontact en zag een grijzige smurrie rondom de opening waar het snoer in ging. Etensresten ofzo, bah. De bel ging. Zo vroeg? De bezorger was al weggereden toen ze de deur opendeed. Ze sjouwde weer een stapel naar binnen. Zes-zeven-acht-negen pakjes nu, en nog niemand die iets was wezen halen.

Het huis warmde maar langzaam op. Ze moest nog ergens een muts hebben, maar die zat in de doos met de skispullen en die was voorlopig onvindbaar. Twee paar sokken en een trui met capuchon, daar moest ze het mee doen. Hup, aan het werk! De laptop stond niet meer te blazen, maar het scherm was vochtig. Ook hier zat die grijze smurrie rondom de stroomopening en zelfs in de USB-poorten. Ze tilde de computer op om de onderkant te monsteren en zag grijze smurrie uit de kleine schroefjes kruipen. Het toetsenbord zat weer onder dat pikzwarte stof van gisteren. Maar hoe kon dat; de laptop was de hele nacht dicht geweest? Toen zag ze ook een zwarte stoffige plek op de bank. De bel ging.

In het ochtenddonker stond een jonge goochemerd van de oranje bezorgdienst. ‘Ik hoorde van mijn collega al dat je altijd thuis bent, kan ik dit hier achterlaten? Is voor de buren.’ Zonder het antwoord af te wachten reed hij een steekwagentje binnen en schoof er drie dozen vanaf, die tegen de schoenenkast aan knalden. Een van de deurtjes schoot open en acht paar schoenen tuimelden naar buiten. ‘Oeps! Nou dat is zo weer opgeruimd, fijne dag!’ Hij verdween met een knipoog. Ze liep naar boven zonder iets aan te raken. Eerst douchen. Dan koffie. En dan weer verder zien.

Ook in de badkamer was het nog donker. Haar vingers op de lichtknop, stokten daar: het sanitair zat onder de roze vlekken, die licht gaven in het donker. Vingerafdrukken, op het bad zelfs een hele hand herkenbaar. Resoluut deed ze het licht aan. Niet. Nu.

*

Het was al tien uur toen ze eindelijk aan het werk kon. Maar de laptop liep steeds vast, terwijl ze maar twee of drie programma’s open had: ze opende het logboek van de computer. Een eindeloze stroom berichtjes over het programma WonderCure rolde aan haar voorbij. Het at een royale portie werkgeheugen, zag ze nu. En wat was het in godsnaam aan het doen? Geen tijd voor vragen, het moest eraf. Dat bleek geen gemakkelijke opgave. Het programma had zijn draden door het hele systeem geslagen. Hoeveel processen ze ook beëindigde, hoeveel bestandjes ze ook opspoorde en wiste, telkens duwde WonderCure zijn paddestoeltjes omhoog.

De bel ging. Naar de intercom. Waar kon ze dat ding… godverdomme er zat geen uit-knop op. Ze haalde de hoorn eraf en hoorde iemands ademhaling. Uit de gaatjes van het mondstuk kwam groen, pluizig spul. Ze hing de hoorn op. Het bellen bleef maar doorgaan. Naar de meterkast. Ze trok stekkers uit stopcontacten tot het ophield. Ze negeerde het kloppen op de voordeur en plukte haar oordoppen van haar nachtkastje. Die waren bedekt met oranje dons. Ze gooide ze weg, zette een koptelefoon op en ging verder met het wissen van WonderCure.

’s Middags viel de verwarming weer uit. Ze trok een panty aan onder haar broek en belde de daarna de huisbaas. Die had, heel toevallig, een klusjesman in de buurt rondlopen. Tien minuten later stond de klusjesman op de deur te bonzen. ‘Waarom doet de bel het niet?’

‘O, die heb ik er even uitgehaald, zodat ik rustig kan werken.’

‘Je hebt toch niet de stekker eruit gehaald?’ Een retorische vraag, want de man stond bij de meterkast. Hij stak de zware adapter weer in het stopcontact. ‘Dat moet je echt niet doen hoor, dan gaat de printplaat stuk. Die apparaten moeten al-tijd aan staan.’

Ze voelde zich betrapt, en tegelijkertijd stak ergens in haar hersenstam razernij op. ‘Maar er wordt ook midden in de nacht aangebeld,’ probeerde ze. Waar kwam dat vandaan? Het werkte wel, de man sloeg meteen om.

‘Kijk dan haal je dit snoertje eruit,’ zei hij, zachtaardig nu. Hij klikte het telefoonsnoertje uit de hoorn van de intercom.

Want dat gaat niet stuk, dacht ze, haar blik op het fragiele plastic piemeltje dat het snoertje op zijn plek hield. Maar ze zei niets. De klusjesman kloste een uur lang op harde werkschoenen door het huis, zijn alomvattende kennis breed uitmetend, onderwijl prekend over haar vermeende verkeerde omgang met alles.

‘Zo eenvoudig is het nou,’ besloot hij, toen hij de thermostaat weer op de juiste stand zette. ‘Hij staat nu goed. Gewoon niet meer aan komen, dan gebeurt er niks.’ In zalig zelfvertrouwen keek hij op haar neer. Ze gaf hem een hand en liet hem naar buiten.

Koptelefoon op. Laptop open. Werken.

*

Het schemerde, haar been sliep, ze zat al uren verkrampt. Door de muziek heen klonk een verstorend ritme. Koptelefoon af. Er werd hard op de deur gebonsd. ‘Hallo?!’ klonk het door de brievenbus. ‘U heeft een paar pakjes voor mij!’ Het licht viel uit. De cv-ketel sloeg af. In de keuken knipperden de lampjes van het resetten. ‘Hee ik zie dat je het licht uit doet, doe niet zo flauw!’ Meer bonzen. ‘Hee hallo, dit is de buurvrouw, ik wil mijn pakjes hebben, doe effe open!’

Ze legde haar laptop weg en ging op de bank liggen. Die maakte een zacht zuchtend geluid. In het donker kon ze goed voelen hoe het sporenstof op haar gezicht landde, op haar handen.

beeld: aspergillus fumigatus
fotograaf onbekend; rechthebbende is de bibliotheek van dit Piemontese ziekenhuis